Plundering of Joachim Rendorp's house, 1787
Plundering van het huis van de familie Rendorp op 29 mei, 1787 (Cornelis Brouwer, bron)

Op dinsdagavond 29 mei 1787 plunderde een woedende menigte het huis van de Amsterdamse burgemeester Joachim Rendorp onder het roepen van Patriotse leuzen. Er werden deze en de volgende dag meer huizen geplunderd door aanhangers van de Patriotse en Orangistische partij. Joachim Rendorp heeft over de plundering van zijn eigen huis getuigenverklaringen laten opstellen door leden van zijn personeel en enkele schutters. Op basis van deze getuigenverklaringen krijgen we een beeld van de bewoners van het pand Singel 292.

Meer informatie over de plundering en het huis (Singel 292)

Joachim Rendorp (1728-1792)


Joachim Rendorp met burgemeesterspruik (gravure Reinier Vinkeles).
Joachim Rendorp met burgemeesters-pruik (Reinier Vinkeles, bron).

Joachim Rendorp was een Amsterdamse regent van het oude stempel. Wat hem betrof hadden de burgemeesters, van wie er ieder jaar een ander viertal de stad bestuurde, het voor het zeggen. De Amsterdamse vroedschap, een soort tweede kamer van niet-gekozen regenten, moest hun besluiten alleen maar goedkeuren. Toen Rendorp in 1781 zelf voor het eerst regerend burgemeester werd, was niet iedereen daar blij mee. Hij was bijvoorbeeld een geziene gast aan het hof van stadhouder Willem V, “Prins” van Oranje. Dat Rendorp toch niet een Orangist was bleek al snel. Hij stond aan het hoofd van een Amsterdamse delegatie die aandrong op het vertrek van Prins Willems gehate persoonlijk raadgever. In kranten en pamfletten werd Rendorp geprezen voor deze “Patriotse” daad. Vijf jaar later, toen Rendorp opnieuw burgemeester was, werd hij in de Patriotse pers echter beschimpt als geen ander. Rendorp moest niets hebben van de democratische ideeen die inmiddels overal in het land de kop op hadden gestoken. Ook de positie van de Stadhouder was in het geding, en Rendorp wilde verdere aantasting van die positie voorkomen. Volgens hem hoorde het land te worden bestuurd door goed geinformeerde en onbaatzuchtige regenten, met de stadhouder als “hoofd” om de eenheid te bewaren. Dat de hardwerkende en eigenzinnig Rendorp vooral zichzelf zo’n goed en onbaatzuchtig regent vond blijkt uit alles.

Wilhelmina Hillegonda Schuyt (1728-1802)

Helene van Rossum
Wilhelmina Hillegonda Schuyt, 1778 (Jean-Baptiste Perronneau, bron)

Wilhelmina  Schuyt was 27 toen ze in 1756 met Joachim Rendorp trouwde. Ze zal hem al veel langer gekend hebben: de buitenplaatsen van de familie Rendorp (het Huis Marquette in Heemskerk) en van de familie Schuyt (“Jagerslust”) lagen vlak bij elkaar. Haar vader was een rijk koopman op Italië en de Levant. Van de vijf kinderen die Wilhelmina en Joachim kregen stierven de oudste vier op jonge leeftijd. Alleen de jongste, Willem, die Wilhelmina kreeg op haar éénenveertigste, bleef in leven. Over haar persoonlijke leven en karakter is weinig bekend.

Willem Rendorp (1769-1827) 


Willem Rendorp
Willem Rendorp (toegeschreven aan Pierre Louis Bouvier, bron)

Willem groeide op als enig kind. Op het moment van de plundering was hij zeventien jaar oud. Hij studeerde toen al in Leiden, waar hij op zijn veertiende (samen met een studiementor) voor de studie van de vrije kunsten en filosofie was ingeschreven. In 1788 zou hij met de studie rechten gaan beginnen. Willem had volgens het testament van zijn vader geen enkele belangstelling voor de collectie kunst in huis. Daarom besliste Joachim dat na zijn dood alle schilderijen, borstbeelden en andere kunstvoorwerpen moesten worden verkocht.

De dienstmeiden

Keukenmeid (links) en werkmeid (rechts), 1778 (H.P. Schouten, detail)
Keukenmeid (links) en werkmeid (rechts), 1778 (H.P. Schouten, detail, bron)

Op de avond van de plundering waren drie dienstmeiden aanwezig: de keukenmeid (die het werk van een kok deed), de zilvermeid (voor het schoonhouden van de “publieke” ruimtes, het zilver en andere kostbare spullen), en de werkmeid. De zilvermeid, Maria Jacoba Dornar (“Koba”) heeft een eigen getuigenverklaring opgesteld, waarin ze zelf een heldenrol speelt door het zilvergoed uit de handen van de plunderaars te redden. Van de keuken- en werkmeid weten we alleen dat er eentje “Betje” heette. Hiernaast moet Mevrouw Rendorp ook een eigen meid gehad hebben, mogelijk was er een vacature. De meiden sliepen op de ‘meidenkamer’ op zolder.

Het mannelijk personeel


Koets met koetsier en palfrenier, 1796 (H.P. Schouten, detail)
Koets met koetsier en palfrenier, 1796 (H.P. Schouten, detail, bron)

Het gezin Rendorp had opvallend veel mannelijk personeel in huis. De hoogste status had Rendorps lijfknecht Hendrik Jan Westerik, die zelf een getuigenverklaring opstelde. Hendrik zal zijn meester altijd op reisjes en bezoeken hebben begeleid en moet ook administratie hebben verzorgd en brieven hebben gekopieerd en afgeleverd. Hendrik en zijn vriend Louis, die niet in huis woonde, hebben bij de aankomst van de plunderaars de familie Rendorp waarschijnlijk helpen vluchten via de tuin van de buurvrouw. Ook mevrouw Rendorp had een eigen lijfknecht, Gerrit, die bij het horen van het gebrul van de plunderaars meteen op de vlucht sloeg. Daarnaast was er ook ene Dirk in de stal, die de koetsier moet zijn geweest. Rendorp had ook een tweede koetsier of palfrenier, Jan, die achterop de koets stond, iets dat minder gebruikelijk was voor regenten en door Amsterdammers als een onnodig vertoon van macht en rijkdom moet zijn gezien. Jan, die ook als een soort butler zal hebben gefunctioneerd, was de heldhaftigste van de mannen in huis en heeft de dienstmeiden beurtelings in veiligheid gebracht.